Jeremia 10
Lees Jeremia 10 in de HSVDe Tekst
Jeremia houdt Israël een spiegel voor: kijk naar de goden van de volken. Een boom wordt omgehakt, bewerkt met beitel, versierd met zilver en goud, vastgespijkerd zodat hij niet omvalt. Zo'n god kan niet spreken, niet lopen, geen kwaad doen en geen goed. Daartegenover stelt de profeet de levende God, Schepper van hemel en aarde, wiens stem de wateren doet bruisen. Het hoofdstuk eindigt met een klaagzang: de tent is verwoest, de herders zijn dom geweest, en Jeremia bidt om een tuchtiging met mate.
De Kern
Dit hoofdstuk is meer dan een polemiek tegen afgoderij. Het is een fundamentele vraag over waar leven vandaan komt. De afgoden zijn dode materie die door mensenhanden overeind wordt gehouden; ze moeten gedragen worden omdat ze niet lopen kunnen (vers 5). De HEERE daarentegen is "de levende God, de eeuwige Koning" (vers 10). Jeremia zet twee bewegingen tegenover elkaar: goden die door mensen worden gemaakt en gedragen, tegenover een God die mensen maakt en draagt. Wie zijn zekerheid bouwt op iets wat hijzelf overeind moet houden, bouwt op niets. Dat is de scherpte hier: afgoderij is niet vooral een religieus probleem, het is een oriëntatiefout die je hele bestaan scheeftrekt.
De Rode Draad
Waar Jeremia de kloof tussen levende God en dode afgoden opent, springt het Nieuwe Testament die kloof over met een schokkende beweging: de levende God wordt zelf een mens van vlees. Niet een beeld dat door mensen wordt gemaakt, maar de Zoon die "het beeld van de onzichtbare God" is (Kolossenzen 1:15). Waar het houten beeld wordt vastgespijkerd om niet om te vallen, laat Christus zich vastspijkeren aan het hout om ons overeind te houden. Die omkering is bijna te scherp om te verdragen. En waar Jeremia bidt om tuchtiging met mate (vers 24), draagt Christus de tuchtiging zonder mate, opdat wij niet vernietigd worden. De vraag "wie draagt wie" krijgt in het kruis haar diepste antwoord.
De Spiegel
De vraag is niet of jij afgoden hebt, maar welke. Wat is dat in jouw leven wat je zelf overeind moet houden opdat het jou overeind houdt? Een carrière die constant onderhoud vraagt. Een reputatie die je bijwerkt zoals de ambachtsman zijn beeld met zilver bekleedt. Een relatie die de plaats van God is gaan innemen en die je met angst bewaakt. Een gezondheidsregime dat een religie is geworden. Jeremia's spot is genadeloos: zulke goden moeten je gedragen, maar jij draagt ze. Ze reizen niet zelf, ze worden vervoerd. Voel eens hoe vermoeiend het is om je god te dragen. Voel dan het verschil van een God die zegt: Ik heb je gemaakt en Ik draag je tot in je grijsheid.
Context
We schrijven eind zevende, begin zesde eeuw voor Christus. Juda staat in de tang tussen Egypte en het opkomende Babel. Nebukadnezar's schaduw valt al over Jeruzalem. In zo'n tijd van politieke onzekerheid kijken mensen jaloers naar de goden van de grootmachten: kennelijk werkt het bij Babel, hun goden zijn indrukwekkend, hun processies overweldigend. De verleiding is om mee te doen, of tenminste te hedgen, wat extra goden erbij voor de zekerheid. Jeremia schrijft tegen deze angstige pragmatiek in. Zijn beschrijving van het maken van een afgod (vers 3-9) is bijna documentair: hout uit het bos, bewerkt door de vakman, bekleed met geïmporteerd zilver uit Tarsis en goud uit Ufaz, aangekleed door de wever. Hij ontleedt het productieproces om de betovering te breken.
De Hoofdpersoon
Jeremia zelf schemert door dit hoofdstuk heen als een verscheurd man. Hij bespot de afgoden met bijtende ironie (vers 5: "als een vogelverschrikker in een komkommerveld"), maar in vers 19 breekt zijn stem: "Wee mij vanwege mijn breuk, mijn wond is pijnlijk." Hij is niet een profeet die vanaf een veilige hoogte oordeel spreekt. Hij hoort erbij, hij bloedt mee. De verwoesting die hij aankondigt, verscheurt hem. En dan, in vers 23, komt een van de meest ontwapenende belijdenissen uit de profeten: "Ik weet, HEERE, dat het niet aan de mens zelf staat de weg die hij gaat, en aan geen man om zijn voetstappen te richten." Dit is een profeet die zichzelf niet uitzondert. Hij bidt niet vóór het volk maar mét het volk om barmhartige tuchtiging.
De Vraag
Vers 25 is ongemakkelijk: "Stort Uw grimmigheid uit over de heidenvolken die U niet kennen." Hoe verhoudt zich dit tot Christus' gebed voor zijn kruisigers, die Hem óók niet kenden? De eenvoudige oplossing zou zijn om Jeremia te overrulen met Jezus, maar zo werkt de Schrift niet. Jeremia's roep is de kreet van een verwoest volk dat schreeuwt om gerechtigheid, niet om wraak uit eigen kracht. Het is God gebeden, niet zelf uitgevoerd. Toch blijft er iets ongemakkelijks staan. Misschien is dat goed. Het kruis lost niet elke schreeuw om gerechtigheid op door hem weg te poetsen, maar door hem op zichzelf te nemen. De grimmigheid over "hen die U niet kennen" wordt daar gedragen door de Zoon, die zelfs bidt: Vader, vergeef het hun.
Reflectie
Welke god in jouw leven moet jij dragen, en wat kost je dat aan energie die je niet meer hebt?
Waar in jouw bestaan wil je zelf je voetstappen richten, terwijl Jeremia belijdt dat dit niet aan de mens staat?
Veelgestelde vragen over Jeremia 10
Snelle antwoorden op de meest gestelde vragen bij deze bijbeltekst.
Wat betekent Jeremia 10?
Waar gaat Jeremia 10 over?
Wat is de historische context van Jeremia 10?
Wat leert Jeremia 10 ons over Gods karakter?
Hoe is Jeremia 10 vandaag nog relevant?
Wat de gemeenschap deelt bij Jeremia 10
Inzichten, gebeden en dankzeggingen van lezers en redactie bij deze tekst.
Jeremia staat omringd door volken die hun zelfgemaakte goden vereren, hout met zilver bekleed. Dan klinkt: "Het deel van Jakob is niet als deze." Israëls God is niet gemaakt, Hij maakt. En het mooiste: Jakob is Zijn erfdeel. Hij heeft jou gekozen als Zijn bezit. Niet andersom. Laat dat eens landen vandaag.
Verken deze tekst op een ander niveau
Beginner, Theoloog, of een andere leesduur? Pas de instellingen aan en genereer jouw versie.
Open in de studie-tool