God kennen
Korte overdenkingen om bij stil te staan, bij bijbelteksten uit Jeremia 31:34, Jesaja 5:2, 1 Samuël 18:4 en Handelingen 17:22-23.
En zij zullen niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE.
Jeremia 31:34
In het Hebreeuws staat hier het werkwoord jada. Kennen. Maar niet zoals jij een telefoonnummer kent of de route naar je werk. Jada is het kennen van binnenuit, het kennen dat een relatie is.
Hetzelfde woord gebruikt Genesis 4: Adam kende Eva zijn vrouw, en zij werd zwanger. Daar is jada de meest intieme nabijheid die twee mensen kunnen delen. Geen informatie, maar leven dat elkaar raakt.
En nu belooft God door Jeremia: zij zullen Mij allen kennen. Datzelfde woord. Jada. Niet: ze zullen theologisch geschoold zijn. Niet: ze zullen de juiste antwoorden hebben. Maar: ze zullen Mij van binnenuit kennen, zoals je iemand kent van wie je houdt.
Onze taal kan dat bijna niet dragen. Wij horen bij 'kennen' meteen aan feiten, aan weten, aan een hoofd vol dingen. Het Hebreeuws wist het beter. Kennen zit in het hart, in de handen, in het samen leven.
Dit is dus de belofte waarmee je vanmorgen opstaat. God wil door jou gekend worden zoals Hij jou al kent. Niet via een boek dichterbij, maar via jouw dag. Je koffie, je eerste zucht, je werk. Daar mag jada gebeuren.
Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen, Hij beplantte hem met edele wijnstokken. In het midden ervan bouwde Hij een toren, en hakte ook een perskuip daarin uit. Hij verwachtte dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij bracht stinkende druiven voort.
Jesaja 5:2
Midden in de wijngaard stond een toren. Geen versiering, maar werk. Vanuit die toren hield iemand de wacht: tegen dieven, tegen vossen, tegen alles wat de oogst kon stelen als niemand keek.
De eigenaar bouwde die toren zelf. Hij spitte, hij zuiverde, hij plantte, hij bewaakte. Alles wat een wijngaard nodig had om vrucht te dragen, gaf Hij.
Jezus vertelt hetzelfde verhaal opnieuw in Markus 12. De heer van de wijngaard verhuurt hem en gaat op reis. En als Hij dan Zijn deel komt halen, blijkt dat de pachters iets vergeten zijn: het is niet van hen.
De toren zegt twee dingen tegelijk. God beschermt wat Hij plant. En God verwacht ook iets van wat Hij plant. Bescherming en verantwoording horen bij elkaar in Zijn wijngaard.
Jij werkt vandaag ergens aan. Een taak, een gezin, een collega, een project. Weet dat er een Toren staat boven jouw stukje wijngaard. Er wordt op je gelet, met liefde en met ernst.
Eet rustig door. Maar weet Wie er meekijkt, en waarom.
Wat groeit er op jouw stukje deze week?
Jonathan trok de mantel uit die hij aanhad, en gaf hem aan David, ook zijn kleding, tot zelfs zijn zwaard, zijn boog en zijn gordel toe.
1 Samuël 18:4
Jonathan is de kroonprins. De mantel die hij draagt is niet zomaar een jas, het is het teken van zijn positie, zijn recht op de troon van zijn vader Saul. En die mantel geeft hij weg. Aan David, precies de man die zijn plaats zal innemen.
Hij trekt hem uit. Zonder ceremonie, zonder onderhandeling. Ook zijn zwaard, zijn boog, zijn gordel. Alles wat een prins tot prins maakt, ligt ineens om de schouders van een ander.
Wist Jonathan wat hij deed? De tekst zegt eerder dat zijn ziel verbonden werd met de ziel van David. Misschien wist hij het half. Misschien voelde hij alleen dat vasthouden geen optie meer was.
Er zijn dingen die je draagt omdat ze bij je horen. Een rol, een verwachting, een positie waar anderen op rekenen. Soms komt er een moment waarop je merkt dat God iets anders doet dan jij had gedacht.
Jonathan koos niet voor bitterheid. Hij koos ook niet voor stille tegenwerking. Hij trok uit wat hem toekwam en gaf het weg.
Wat draag jij vanmiddag dat eigenlijk al niet meer van jou is? En wat zou het kosten om het uit te trekken?
En Paulus, die midden op de Areopagus stond, zei: Mannen van Athene! Ik merk dat u in alle opzichten buitengewoon godsdienstig bent. Want toen ik de stad doorging en uw heiligdommen bekeek, trof ik ook een altaar aan waarop het opschrift stond: AAN EEN ONBEKENDE GOD.
Handelingen 17:22-23
De Areopagus was een kale rotsheuvel in Athene, vlak onder de Akropolis. Een plek van marmer en wind, waar de raad van de stad bijeenkwam om te oordelen over godsdienst en filosofie. Wie er sprak, stond zichtbaar voor iedereen, met de tempels van de stad om zich heen.
Paulus staat daar. Om Hem heen: altaren, beelden, wierook. Hij ziet het en er komt geen boosheid, geen preek over afgoden. Hij ziet iets anders. Tussen al die goden staat één altaar met een leeg opschrift: AAN EEN ONBEKENDE GOD.
Athene had voor de zekerheid ook iets opgericht voor de god die ze misschien vergeten waren. Een altaar van gemis. Een altaar dat toegeeft: er is Iemand die wij niet kennen.
Paulus begint dáár. Niet bij wat ze fout doen, maar bij wat ze missen zonder het te weten.
Misschien is jouw dag ook vol geweest van bekende dingen, taken, gezichten, geluiden. En toch een stille plek van binnen die je niet helemaal kunt benoemen.
Die plek is geen leegte. Het is de plaats waar God, die je nog niet helemaal kent, Zich vanavond bekend wil maken. Rustig. Bij name.</p>
Bekijk de volledige tekst en context op debijbel.nl.
Bij elk vers in deze overdenkingen kun je een uitgebreide bijbeluitleg krijgen met context, achtergrond en toepassing.
Start een verdiepingKrijg een melding bij elke nieuwe overdenking.
iPhone vereist een extra stapje om meldingen te kunnen ontvangen. Dit duurt 20 seconden:
Je krijgt voortaan meldingen op je telefoon bij elk nieuw moment.
Probeer het later opnieuw.
Je hebt op dit apparaat eerder geen toestemming gegeven voor meldingen — of de browser onthoudt dat van een vorige keer. Volg deze stappen om het aan te zetten:
Elke ochtend een bijbelgedeelte met een korte overdenking in je inbox.
Je ontvangt eerst een bevestigingsmail.