Wie is Jezus
Korte overdenkingen om bij stil te staan, bij bijbelteksten uit Handelingen 19:32, Lukas 18:13, Mattheüs 27:57-58 en Mattheüs 16:15.
De een dan riep dit en de ander dat, want de volksvergadering was verward en de meesten wisten niet waarom zij samengekomen waren.
Handelingen 19:32
Als Jezus in Mattheüs 16 zegt dat Hij Zijn gemeente zal bouwen, gebruikt Hij een Grieks woord dat iedereen in Zijn tijd kende: ekklesia. Letterlijk betekent het 'de eruit geroepenen'. Het was helemaal geen religieus woord. Het was politiek, alledaags.
In de Griekse steden was de ekklesia de vergadering van burgers die bij elkaar werden geroepen door een heraut. Je stond op, liet je werk liggen, en liep naar het plein omdat je geroepen werd. Dat is het beeld.
In Handelingen 19 zie je zo'n vergadering in Efeze uit de hand lopen. Mensen schreeuwen door elkaar, de meesten weten niet eens waarom ze er zijn. Lukas noemt dat ook ekklesia. Het woord zegt dus niet iets over hoe geestelijk het eraan toegaat, maar over het feit dat er geroepen is.
Dat is wat de kerk is. Geen club die je opzoekt, maar mensen die uit hun eigen bezigheden vandaan zijn geroepen. Jij vanmorgen ook.
Je staat niet op om een dag te overleven. Je bent geroepen om vandaag ergens te zijn, voor Iemand. De heraut heeft gesproken. Je naam is genoemd. Je mag opstaan en gaan.
En de tollenaar bleef op een afstand staan en wilde zelfs zijn ogen niet naar de hemel opheffen, maar sloeg op zijn borst en zei: O God, wees mij, de zondaar, genadig.
Lukas 18:13
Een tollenaar in de tempel. Dat is al vreemd. Hij werkte voor de bezetter, hij haalde geld bij zijn eigen volk weg, en toch loopt hij naar binnen.
Maar niet helemaal naar binnen. Hij blijft op een afstand staan. Hij kijkt niet omhoog. Hij slaat op zijn borst, een gebaar dat in die tijd bij rouw hoorde, bij diepe pijn. Hij rouwt om zichzelf.
En dan dat gebed. Zeven woorden in het Grieks. Geen uitleg, geen belofte van beterschap, geen lijst. Alleen: God, wees mij, de zondaar, genadig. Hij zegt niet 'een zondaar' maar 'de zondaar', alsof hij op dat moment de enige is die het nodig heeft.
Jezus zegt daarna iets opmerkelijks. Deze man ging gerechtvaardigd naar huis. De ander, de keurige, niet.
Midden in je werkdag kun je dit gebed bidden. Zonder je ogen te sluiten, zonder je handen te vouwen. Tussen twee mails door. Je hoeft niets uit te leggen aan God. Hij weet het al.
O God, wees mij, de zondaar, genadig. Zeven woorden. Je kunt weer verder.
Toen het nu avond geworden was, kwam er een rijke man van Arimathea, van wie de naam Jozef was en die ook zelf een discipel van Jezus was. Die ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Toen gaf Pilatus bevel dat het lichaam aan hem gegeven zou worden.
Mattheüs 27:57-58
Jozef komt pas in beeld als het donker wordt. Als de menigte weg is, de leerlingen gevlucht, en er niets meer te winnen valt. Dan stapt hij naar voren.
Hij was een discipel in het geheim, schrijft Johannes er later bij. Rijk, aanzien, lid van de Raad. Precies die dingen die je kwijt kunt raken als je je uitspreekt. Hij heeft gezwegen toen het ertoe deed, bij het vonnis. En nu, als Jezus dood is, vraagt hij om het lichaam.
Je zou kunnen zeggen: te laat. Wat heeft het nog voor zin?
En toch is dit wat Jozef doet. Hij gaat naar Pilatus, de man die zojuist Jezus heeft laten kruisigen, en hij vraagt. Hij legt zijn naam op tafel, zijn positie, zijn eigen graf. Hij draagt het lichaam dat niemand meer wil aanraken.
Misschien ken je dat, dat je pas durft als het bijna voorbij is. Dat je moed komt na je zwijgen. Dat je denkt: nu heeft het geen gewicht meer.
Maar kijk wat God met Jozefs late moed doet. Juist zijn graf, zijn nieuwe graf, wordt de plaats waar de opstanding begint. Jouw late ja is niet verloren. God legt er iets in neer wat opstaat.
Hij zei tegen hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben?
Mattheüs 16:15
De dag is bijna voorbij. En dan, in de stilte, stelt Jezus Zijn vraag. Dezelfde vraag die Hij ooit stelde op de weg naar Caesarea Filippi, een stad die vernoemd was naar de keizer van Rome en gebouwd was bij een rotswand vol nissen voor afgoden. Juist dáár, tussen al die stenen goden en keizerstitels, vraagt Hij Zijn leerlingen wie ze denken dat Hij is.
Eerst vraagt Hij wat de mensen zeggen. Dat is een makkelijke vraag. Daar kun je over napraten.
Maar dan draait Hij Zich om. Maar u, wie zegt u dat Ik ben? Nu kan niemand zich meer verschuilen achter de meningen van anderen.
Misschien ben jij vandaag ook druk geweest met wat anderen zeggen. Van wie je zou moeten zijn, wat je zou moeten vinden, hoe je het zou moeten doen. En nu is het avond, en wordt het stil.
Jezus vraagt het niet aan de menigte. Hij vraagt het aan jou, persoonlijk. Niet om je te testen, maar omdat Hij Zich wil laten kennen door jou.
Je hoeft geen volmaakt antwoord te geven. Petrus wist ook niet alles. Maar zeg Hem vanavond wie Hij voor jou is geworden, deze dag, dit jaar, in dit leven. Dat is genoeg om mee te gaan slapen.
Bekijk de volledige tekst en context op debijbel.nl.
Bij elk vers in deze overdenkingen kun je een uitgebreide bijbeluitleg krijgen met context, achtergrond en toepassing.
Start een verdiepingKrijg een melding bij elke nieuwe overdenking.
iPhone vereist een extra stapje om meldingen te kunnen ontvangen. Dit duurt 20 seconden:
Je krijgt voortaan meldingen op je telefoon bij elk nieuw moment.
Probeer het later opnieuw.
Je hebt op dit apparaat eerder geen toestemming gegeven voor meldingen — of de browser onthoudt dat van een vorige keer. Volg deze stappen om het aan te zetten:
Elke ochtend een bijbelgedeelte met een korte overdenking in je inbox.
Je ontvangt eerst een bevestigingsmail.